Postduiven in oorlog en vrede

Is er veel veranderd? 

De moderne postduif bestaat zo’n 150 jaar. In deze historische rubriek hebben we gezien hoe reeds daarvoor met andere soorten duiven in België wedstrijden werden gehouden en hoe de Belgen door veel te kruisen langzaam maar zeker de echte “reisduif” hebben gefokt. De sport heeft dus veel invloed gehad op die ontwikkeling. De postduif werd vervolgens op uitgebreide schaal ingezet niet alleen in wedstrijden over heel Europa, maar ook in oorlogsgeweld. Bijvoorbeeld bij het beleg van Parijs (1870) en in de beide Wereldoorlogen.

Postduiven bleken in staat tot fantastische prestaties vanwege hun oriëntatievermogen: ze kunnen bijna altijd hun hok terugvinden, zelfs als dat verplaatst wordt. De opvattingen over het oriëntatievermogen zijn in de loop der tijd veranderd: vroeger dacht men dat de duif zich gewoon oriënteerde op zijn gezichtsvermogen. Een eeuw lang trapten de melkers erin: de duif deed het met zijn ogen.Tegenwoordig weten wij wel beter: zonnekompas, aardmagnetisme, windrichting, geluidsgolven etc. Maar hoe meer we weten, hoe groter het mysterie!

Het oriëntatievermogen zelf is eigenlijk niet veranderd die afgelopen 150 jaar. Wat is er wel veranderd rond onze postduif? In dit artikel vatten we een paar ontwikkelingen samen.

Wetenschap

Is er in de verzorging van onze duiven veel veranderd? De voeding is veelzijdiger geworden. We voeren diverse uitgekiende mengelingen. We geven vitaminen en mineralen, al zijn daar niet veel wetenschappelijke gronden voor.

Hoe is het op medisch gebied? Honderd jaar geleden verkocht de firma Wittouck al medicijnen in heel België: allopathische en homeopathische middelen en vooral veel wonderpillen tegen alle mogelijke ziektes en aandoeningen. Niets nieuws onder de zon, zo lijkt het. Gespecialiseerde diergeneeskunde heeft echter veel gegevens over de duif aan het licht gebracht, zodat de gezondheidszorg aanzienlijk verbeterd is. Dat is ook wel nodig omdat we de afgelopen periode met nieuwe duivenziektes te kampen hebben. Ook hier dus iets eigenaardigs: naarmate de medische wetenschap voortschrijdt, neemt de kwetsbaarheid van onze duiven niet af maar toe! Goed, we hebben de traditionele ziektes wel onder controle, maar nieuwe aandoeningen liggen voortdurend op de loer. Mogelijk speelt overmatig medicijngebruik daarin een rol. We verspelen meer jonge duiven dan ooit. En die wondermiddelen, daar trappen we nog steeds in…

In 1929 waren er nog regionale en lokale bonden. Op dit knipsel zijn verschillende manieren van duivenvervoer afgebeeld.

Postbode

De tijd dat duiven werden gebruikt om berichten over te brengen, ligt definitief achter ons. Sommige militairen dachten dat honderd jaar geleden ook al, maar die hadden het mis.

Bij het beleg van Parijs (1870-1871) werd voor het eerst systematisch gebruik gemaakt van de moderne postduif. De duiven werden met luchtballonnen buiten Parijs gebracht en vervolgens vlogen ze met vele duizenden berichten terug. Door dit succes hebben de meeste landen militaire duivendiensten ingericht, waarbij duivenmelkers vaak een belangrijke rol speelden.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) hebben alle strijdende partijen op uitgebreide schaal gebruik gemaakt van postduiven. Ze werden losgelaten aan het front of vanaf een schip en hebben als ware helden tal van levens gered. Ook in de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) werden nog duizenden duiven ingezet, ondanks de moderne communicatietechnologie. Vooral de Amerikanen hebben veel werk gemaakt van het trainen van oorlogsduiven. Ze maakten bijvoorbeeld grote vorderingen met nachtvliegen. Trouwens ook in de Koreaanse oorlog (1950) hebben de Amerikanen nog duiven ingezet.

   

In beide Wereldoorlogen lieten de Engelsen duiven per parachute neer in de bezette gebieden van Frankrijk en België. Aan een pootje zat een boodschap voor degene die de duif vond, namelijk het verzoek om bepaalde informatie over de Duitse bezetter in het kokertje te stoppen en dan de duif los te laten.

 

 Deze opname is gemaakt in de Eerste Wereldoorlog door een klein fototoestel dat men een duif voor de borst bevestigde

Zelfs daarna werden postduiven nog regelmatig gebruikt als aanvullend verbindingsmiddel. Zo nam de Oostenrijkse gendarmerie tot 1974 altijd een paar duiven mee bij reddingsacties in de Alpen. Dat was simpeler dan de toenmalige radiotelefonie. Daarvoor moesten ze een duur apparaat van zes kilo meeslepen. Heel wat onfortuinlijke skiërs zijn dus met hulp van postduiven gered!

Maar die tijd is echt voorbij: tegen mobieltjes met werelddekking kunnen onze vogels niet op.

De sport

De postduivensport is in tweehonderd jaar natuurlijk geweldig veranderd. Wij hebben bijvoorbeeld gezien hoe het vervoer naar de lossingsplaats zich heeft ontwikkeld. Aanvankelijk werden de duiven in België door dragers te voet vervoerd. Barre tochten die soms meer dan een week in beslag namen. Na 1850 ging het vervoer per trein, ook in ons land, meestal met een convoyeur. Rond 1925 werd er serieus gefantaseerd over vervoer per vliegtuig, lekker snel. Maar toen dat (natuurlijk!) geen haalbare kaart bleek, ging men langzaam maar zeker over op vrachtautovervoer via de steeds betere wegen.

De ontwikkeling van het constateren is spectaculair. In het allereerste begin, een kleine tweehonderd jaar geleden, gebruikten we nog geen uurwerken. Dat was ook niet nodig: als er een duif terugkwam bracht de eigenaar deze naar het café. Daar werden de duiven in volgorde van binnenkomst in kooitjes gezet, de winnaar in kooi 1, enzovoort. Meestal duurde het vele dagen voordat een klein percentage terug was. Later werden de duiven, die voor de lossing voorzien waren van een geheim vleugelmerk, in een centrale klok geconstateerd. En nog later, ongeveer honderd jaar geleden, kwam de gummiring, en gingen de liefhebbers in hun eigen klok constateren. De rest is bekend: computerklokken, rekenprogramma’s, electronisch constateren. En binnenkort draadloos?

   

In 1872 was er al een soort spoetnik! Deze had een zij-ingang

 

 Een zogenaamde dubbele kijker uit circa 1880. Onder uitlaten, boven binnenlopen

Professionalisering

Bij de ontwikkeling van de duivensport is voor de liefhebber steeds de centrale vraag geweest: hoe kan ik ze harder laten vliegen? Hoe krijg ik ze in vorm? Onze collega’s van honderd jaar geleden waren daar even hard mee bezig als wij.

Vroeger werd er wat meer op nest gespeeld, zeker, en de trucjes die men uithaalde waren vooral gericht op jaloezie. Het befaamde kotjesspel werd in België ontwikkeld en was ook gebaseerd op jaloezie: enkele losse doffers zetten de zaak op stelten. In de periode van de Eerste Wereldoorlog kwamen Vlaamse vluchtelingen naar ons land (wij bleven immers buiten die oorlog) en die hebben dit soort trucjes bij ons geïntroduceerd.

Een oude foto van het kotjesspel in Nederland

En wie dacht dat het weduwschapspel een moderne aanpak is: helemaal niet. Wittouck beschreef al in 1902 het “gedwongen weduwschap” dat toen al veel werd toegepast in Luik en omgeving, vooral voor vluchten tot 600 kilometer. Uit zijn beschrijving blijkt dat het gewoon, klassiek weduwschap betrof, met en zonder tonen. Ook weduwschap met duivinnen bestond toen al, maar nog geen totaalweduwschap.

Kwaliteit

Er zijn veel aanwijzingen dat de vliegkwaliteit van de postduif aanzienlijk is toegenomen. Dat kun je zien aan het rendement (hoeveel duiven keren terug op hun hok?) en aan de vliegsnelheid.

Diverse bronnen melden dat het in de eerste fase van de grote fond (zo tot 1930) normaal was dat maar liefst twee op de drie duiven verloren gingen. We spreken dan over reguliere fondvluchten tot zo’n 1000 kilometer. Experimenten met nog verder weg gelegen lossingsplaatsen (Rome, Corsica, Madrid) mislukten totaal. Op de korte afstanden was er in die tijd al wel een goed rendement. Dat was ook het geval in de Eerste Wereldoorlog: ongeveer 95 % bereikte het hok.

De gemiddelde vliegsnelheid is de afgelopen honderd jaar flink toegenomen. Diverse bronnen melden aan het begin van de sport in Nederland gemiddelde snelheden van zo’n 1000 m/m. Wittouck noemt in 1925: 1100 à 1200 m/m “met voordelige wind en klaar stil weder”. Volgens hem kwamen de duiven toen vrijwel nooit boven de 1500 m/m. Wel, dat ligt nu wel even anders. En iedereen die dat de afgelopen 30, 40 jaar een beetje heeft bijgehouden, weet: ze gaan nog steeds harder en harder…

Het wezen van de postduif en de duivensport is sinds 1850 niet echt veranderd. De technische en wetenschappelijke omstandigheden zijn natuurlijk gewijzigd. De kwaliteit van de postduif neemt door een gericht kweekbeleid nog steeds toe. En het mysterie blijft.

 

Top