Postduiven in oorlog en vrede

Postduiven aan parachutes

Het is zondagmiddag 4 oktober 1942, dus middenin de Tweede Wereldoorlog. We bevinden ons in het Dennenbosje aan de Prins Hendriklaan in het Veluwse Ermelo. Bert en Willy Vossebelt spelen in het bosje, ze willen een hut bouwen maar vinden niet veel hout. Dan ziet Bert iets raars in een boom hangen, iets wits, het lijkt wel een jas. Willy vindt het griezelig maar Bert is stoer, hij klimt in de boom en komt even later naar beneden met, ja met wat? Het blijkt een parachute te zijn en er hangt ook wat aan: een soort thermosfles. Als de kinderen die koker beter bekijken zien ze door een aantal luchtgaatjes wat erin zit: een duif, een levende duif!

Ze hollen naar huis. Vader Vossebelt maakt de koker open, zet de duif zo lang in een doos en leest het formulier dat ook uit de koker kwam. Het is een oproep van de Engelse geheime dienst om gegevens over Duitse radarinstallaties en luchtafweergeschut door te geven. Je moest die informatie op het formulier invullen, het formulier opvouwen en in een klein kokertje stoppen. Dat kokertje moest je vastmaken aan de poot van de duif en vervolgens de duif loslaten. Die zou dan terugvliegen naar zijn militaire hok in Engeland.

Terwijl de kinderen de duif voer geven (een zakje voer zat ook in de koker) twijfelt vader Vossebelt. Hij weet van een Duitse radar in Harderwijk en van een schietbaan in Hierden. Maar hij weet ook welk risico hij loopt. Hij twijfelt urenlang en om 19.00 uur levert hij de gevonden spullen af bij rijksveldwachter Willem Smink, die dezelfde avond nog de burgemeester van Ermelo inlicht. De volgende dag heeft Smink de duif met toebehoren ingeleverd bij de Duitsers.

Inlichtingen

De Britse inlichtingendienst had het vermoeden dat de Duitse Wehrmacht een radarinstallatie en luchtafweergeschut had ingericht in de regio Harderwijk. Luchtfotografie was toen nog niet goed ontwikkeld, dus probeerde men inlichtingen te verkrijgen via gedropte postduiven. Tientallen duiven aan parachutes zijn toen in die regio gevonden. Hoeveel er met bruikbare gegevens zijn teruggevlogen is niet bekend.

Een duif aan een parachute, tentoongesteld in een vitrinekast

De Britten en de Amerikanen hebben op ruime schaal gebruik gemaakt van deze methode, in alle bezette gebieden maar vooral in Frankrijk. De Engelsen hadden een speciale fabriek opgezet waar de parachutes voor duiven werden gemaakt. In de loop van de oorlog zijn liefst 16.000 duiven gedropt, waarvan er slechts 1800 zijn teruggekeerd op hun Engelse hok. Veel duiven zullen gewoon niet gevonden zijn, triest maar waar. Andere werden, zoals in Ermelo ingeleverd bij de Duitsers. En ook al werden ze wel gelost, dan moesten ze de moeilijke oversteek naar Engeland nog maar maken. De Duitsers hadden aan de kust een “squadron” afgerichte haviken in stelling gebracht… 

Parachutisten

De duiven hingen niet altijd zelf aan de parachute. Ze werden ook vaak meegenomen door parachutisten. Als die achter de vijandelijke linies werden neergelaten, dus in bezette gebieden, konden ze geen gebruik maken van radiocontact. Dan waren postduiven hun enige communicatiemiddel.

Ze namen die duiven op verschillende manieren mee. Veelal kregen de duiven een soort vestje aan, ter bescherming. Ze konden dan tijdens de sprong hun vleugels niet uitslaan en zodoende gewond raken. De parachutist had een of twee van die ingepakte duiven voor zijn borst bevestigd. Na de landing moest hij de duiven vrij snel met berichten lossen; hij kon ze niet goed vervoeren.

   

 Een Amerikaanse parachutist die een ingepakte duif meeneemt op zijn vlucht

 

Hij neemt twee duiven mee

Dat was wel mogelijk als de paratroepen van een andere methode gebruik maakten. Vlak voordat de parachutist zelf sprong werden de duiven aan een eigen parachute neergelaten. Het ging dan om vier duiven die in een ronde mand van draad en canvas zaten en aan die mand was de parachute bevestigd, zie de foto’s. Na de landing zocht de parachutist de duivenmand, waarin ook voer en water was meegenomen. Hij kon de duiven dus een aantal dagen verzorgen en de mand meenemen op zijn verkenningstocht. Postduiven waren zijn enige mogelijkheid om informatie bij het militaire hoofdkwartier te krijgen.

   

 Een ronde mand met vier duiven voorzien van parachute

 

 De mand met duiven vlak voor het afwerpen

Zonder parachute

Tijdens de vluchten van alle geallieerde vliegtuigen nam de bemanning een of twee duiven mee. Die waren dan niet zozeer bedoeld voor spionagedoeleinden, maar om bij problemen een noodsignaal te kunnen verzenden. Als het vliegtuig niet te veel snelheid had, kon de duif gewoon met de hand vanuit het toestel worden gelost. Maar de nieuwe zware bommenwerpers die richting Duitsland vlogen, bereikten snelheden tot 600 kilometer per uur. Als je daar een duif zou uitzetten, kwam het fladderende dier onherroepelijk in de zuiging van het toestel terecht en vervolgens in de propellers. Voor dat probleem hadden de Amerikanen een simpele oplossing gevonden. Ze stopten de duif in een gewone papieren zak. Daar zat een gaatje in waar de kop door kon. Ze gooiden die zak met kracht uit het toestel, door de wind en het gespartel van de duif scheurde de zak en als de vogel zich bevrijd had was hij al lang buiten de zuiging van het vliegtuig.

Dat dergelijke bommenwerpers hoogten bereikten van 8000 meter, was voor de duiven geen probleem. Ze trotseerden 40 graden onder nul, cirkelden naar beneden tot hun normale vlieghoogte, en zetten koers naar huis. Op deze manier werden 320 duiven uitgeworpen met een bericht, waarvan er 307 hun hok bereikten.

Ondanks de beschikbaarheid van telegrafie en radio is in de Tweede Wereldoorlog nog op uitgebreide schaal gebruik gemaakt van postduiven. In bovenbeschreven voorbeelden ging het om situaties waarin communicatie via de ether niet mogelijk of te gevaarlijk was. De duiven trokken zich van de gevaren weinig aan en leverden betrouwbaar hun boodschappen af. Dat gebeurde niet alleen in Europa maar bij de gevechtshandelingen over de hele wereld.

 De duif wordt gewoon met de hand vanuit het vliegtuig gelost

 

(belangrijkste bronnen: Peter Yska, Postduiven en radars, Van ’t Erf van Ermel (jan. 2000) enC.A.M. Spruijt, De postduif van A – Z , Den Haag 1950)

 

Top